Start
Home
WG Zon
Historiek
Waarnemers
Nieuwsbrief
Instrumentarium
Links
Waarnemingen
Wolfgetallen
fotodatabase
Grafieken
Flare 6 juli 2006
PST 125mm
Verslagen
Bijeenkomst 2006
Bijeenkomst 2005
Poolfakkels
Sluit aan
Waarnemingen
Allerlei
Bouw je zonnekijker
Synoptische mappen
Eclips 1999
Flares in 23ste cyclus
Software en sjablonen
Beckgetal tool
Artikels
BSO in "The Practical Astronomer"
Link to The Practical Astronomer"
 
Werkgroep Zon
De Werkgroep Zon is één van de werkgroepen van de Vereniging Voor Sterrenkunde en groepeert de VVS leden die geïnteresseerd zijn in het waarnemen en de studie van onze nabije ster, de zon. Sinds 1976 werkten ongeveer 160 waarnemers mee en verrichtten samen meer dan 50.200 waarnemingen.


Werkgroepleider
Franky Dubois
Poelkapellestraat 39
8920 Langemark
tel.: 057/48.93.28
astrosun@skynet.be
Synoptische map 2000

Achtergrond - Synoptische mappen geven de activiteitsspreiding over het zonne-oppervlak weer. Daartoe wordt de positie en het Waldmeiertype van elke groep gebruikt. Aan elke groep wordt dan een gewicht toegekend: A- en B-groepen krijgen het gewicht 1, C 2, D 3, E 4, F 6, G 5, H 3 en J 2. Deze gegevens worden dan ingepast in een gebied van 10 op 10 graden en gesommeerd. Het resultaat wordt dan een synoptische map genoemd, en ze kan zowel per Carrington rotatie (27.2753 dagen) als per jaar (13-14 rotaties) worden weergegeven. De correcte naam is eigenlijk "synoptische map van de zonne-fotosfeer", omdat zulke mappen natuurlijk ook kunnen gebruikt worden om de activiteit in H-alpha, van X-flares of van Coronale gaten weer te geven. De resultaten werden afgeleid uit de NOAA-data zoals die maandelijks samengevat werden in de Nieuwsbrief. Zoals Mr. McIntosh en andere wetenschappers al verscheidene malen opgemerkt hebben, dienen de NOAA groepenclassificaties met de nodige korrel zout genomen te worden, en dus ook de resultaten van dit artikel.

Actieve gebieden - De eerste 4 maanden van 2000 voerde het zuidelijk halfrond de boventoon, daarna nam de noordelijke zonnehemisfeer het over. Dit resulteerde globaal in een evenwaardige activiteit voor beide halfronden, zowel qua aantal groepen (N/S: 239/237), actieve gebieden (99/96) als activiteitshaarden (645/644). In het noordelijk halfrond zette de activiteitsverhoging zich verder door in de gebieden tussen 10 en 30 graden, voor het zuidelijk halfrond was er een opvallende toename van actieve groepen tussen 10 en 20 graden. Er verschenen 6 supergroepen waarvan 4 op het zuidelijk halfrond. Dat zijn er 2 meer dan in 1999, wat het totaal voor de 23ste cyclus brengt op 10. Uitschieter was natuurlijk NOAA9169 (N12, L 076, 2140 MVH) die tijdens de 2de helft van September het zonne-oppervlak domineerde. In 2000 waren er 195 gebieden met 1289 activiteitshaarden (Noord 99/645, Zuid 96/644), duidelijk hoger dan in 1999 (resp. 165/990, Noord 85/553, Zuid 80/437). Er verschenen 476 groepen (239 Noord), 81 meer dan het jaar daarvoor. Volgens de NOAA haalden er hiervan slechts 63 het type E of F (28 Noord), dat zijn er 22 minder dan in 1999! Een derde van alle groepen daarentegen bleef steken bij het type D, een verhoging van 21% in '99 naar 32.3%. Voorts daalde ook het procentueel aantal H en J-groepen. Voorgaande trends bevestigen dus nogmaals dat de 23ste cyclus een middelmatige cyclus die tot hiertoe uit relatief simpele en actie-arme groepen bestaat. Er waren 2 grote activiteitshaarden op de Zon, een op elk halfrond en telkens tussen 10 en 20 graden van de zonne-equator. Het gebied op het noordelijk halfrond bevond zich tussen lengte 30 en 90 graden, op de zuidelijke hemisfeer vooral tussen 200 en 280 graden. De gebieden haalden resp. 90 en 125 activiteitshaarden, samen goed dus voor ruim 15% van de totale activiteit! Actieve gebieden met meer dan 20 activiteitshaarden waren er te vinden tussen breedten 10 en 20 graden van de zonne-evenaar, op lengten tussen 60 en 70 graden (Noord), en tussen 170 en 180, 230 en 240, 330 en 340 (Zuid). Het gebied met de meeste activiteitshaarden (33) in 1 jaar tijdens de 23ste cyclus is dat tussen breedte -10 en -20 graden en lengte 230 en 240 graden. Hierin verschenen 2 F-groepen en 3 D-groepen.

X-flares - Toch geven deze zogenaamde "actieve" gebieden een verkeerd beeld van wat werkelijk voor de Aarde van belang is, en dat zijn de aantallen flares en de flare-sterkte. De laatste figuur is dan ook een synoptische map van de flare fluence. Zo krijgt bv. een C2-flare de waarde 2, een M2-flare de waarde 20 en een X2-flare de waarde 200. De map geeft dan per gebied van 10 x 10 graden, de sommatie van de flare pieken (flare-sterkte > C1) weer voor alle flares waarvan de oorsprong naar een vlekkengroep kon worden teruggetrokken. De echt actieve gebieden lijken zich dan tussen +10 en +30 graden breedte te bevinden, op lengten 70 en 80 graden, 180 en 210 graden, 300 en 320 graden, 350 en 360 graden, evenals tussen -10 en -20 graden breedte tussen 120 en 140 graden en tussen 230 en 240 graden. De flare-actieve gebieden blijken dus duidelijk veel meer afgebakend, en bovendien verschillen ze meestal ook van locatie met de vlekken-actieve gebieden. De verklaring is simpel: Hoewel in vele vlekken-actieve gebieden F-groepen voorkomen, waren slechts enkele van deze F-groepen in staat om sterke flares te produceren. Het waarom van dit frappant verschijnsel is vooralsnog onduidelijk. Gemiddeld produceerden in 2000 45% van de zichtbare groepen een of meerdere flares. In 1989, het jaar van het maximum van de 22ste cyclus, bedroeg dit slechts 40%. De gemiddelde flare fluence per groep daarentegen bedroeg in 2000 slechts 21.7, terwijl dat in 1989 53.8 was! Een gelijkenis tussen de 2 cycli is het grote verschil tussen de 2 hemisferen. In 1989 was de flare fluence verhouding Noord/Zuid 45/62, terwijl deze in 2000 27/16 bedroeg. Er werden in 2000 33 Hoog-Energetische Flares (> M5) geproduceerd (door vlekkengroepen), waarvan slechts 4 door het zuidelijk halfrond. Een analoog verhaaltje voor de X-flares: 15 in totaal, waarvan slechts 1 op de zuidelijke hemisfeer. Ter vergelijking: In 1989 waren er liefst 113 HEFs en 57 X-flares. In 2000 was de groep met het meeste X-flares NOAA9236 (N22, L 355, 630 MH, November 00), met 5 stuks. NOAA9077 (N18, L 310, 1010 MH, Juli 00) produceerde de krachtigste flare (X5.7 op 14 Juli). NOAA9169 bleef ondanks zijn geweldige oppervlakte, absoluut ondermaats in vergelijking met NOAA9236 of 9077. Hij haalde slechts een flare fluence van 232, met 2 HEFs waarvan 1 X-flare.

Vooruitblik - Het maximum van de 23ste cyclus is waarschijnlijk achter de rug, maar een dubbel maximum zoals in de 22ste en 21ste cyclus is zeker niet uit te sluiten. Tot in 2002 kan een relatief hoge activiteit zich blijven vertonen, waarbij de actieve gebieden wel verder equator-waarts blijven zakken. Tot zeker 2004 blijft deze anders middelmatige cyclus dan ook zijn kansen gaaf houden om een occasionele supergroep of superflare te produceren. De waarnemers van onze actieve werkgroep hebben dan ook een zitje op de eerste rij om niets van het spektakel te moeten missen!









Synoptische map 1999

Als een vervolg op de synoptische map van 1998 zoals die verscheen in de Nieuwsbrief van Juni verleden jaar, volgt hier de synoptische map voor 1999. Synoptische mappen geven een idee over de activiteitsspreiding over het zonne-oppervlak. Daartoe wordt de positie en het Waldmeiertype van elke groep gebruikt. Aan elke groep wordt dan een gewicht toegekend: A-en B groepen krijgen het gewicht 1, C 2, D 3, E 4, F 6, G 5, H 3 en J 2. Deze gegevens worden dan ingepast in een gebied van 10 op 10 graden en gesommeerd. Het resultaat wordt dan een synoptische map genoemd, en ze kan zowel per Carrington rotatie (27.2753 dagen) als per jaar (13-14 rotaties) worden weergegeven. Noteer dat de correcte naam eigenlijk "synoptische map van de zonne-fotosfeer" is, omdat zulke mappen natuurlijk ook kunnen gebruikt worden om de activiteit in H-alpha of van Coronale gaten weer te geven. De resultaten werden afgeleid uit de NOAA-data zoals die maandelijks samengevat werden in de Nieuwsbrief. In 1999 zette de activiteitsverhoging zich door in de gebieden tussen 10 en 30 graden van de zonne-equator, met meer actieve groepen tussen 10 en 20 graden. Het gehele jaar was de activiteit op het noordelijk halfrond hoger dan dat op het zuidelijk. Er moet echter wel opgemerkt worden dat het zuidelijk halfrond meer hoog-energetische flares produceerde dan het noordelijke (10 tegen 8, met 3 van de 4 X-flares). In 1999 waren er 165 gebieden met 990 activiteitshaarden (Noord 85/553, Zuid 80/437), duidelijk hoger dan in 1998 (resp. 144/658, Noord 76/311, Zuid 67/347). Er verschenen 395 groepen (223 Noord), 103 meer dan in '98. Volgens de NOAA en McIntosh-classificatie waren er 87 van het type E of F (49 Noord). Toch verschenen er nauwelijks supergroepen. Enkel NOAA 8651 (N25, 1370 MH, Jul99), NOAA 8731 (N15, 1220 MH, Oct99), NOAA 8765 (S12, 1280 MH, Nov99) en NOAA 8806 (N20, 1100 MH, Dec99) bereikten dit status. Hiermee staat het aantal supergroepen in de 23ste cyclus op 6, met NOAA 8323 die de grootste oppervlakte bereikte (1460 MH). Het procentueel aantal A- en B-groepen is verder gedaald ten voordele van de meer actievere groepen. In 1996 (tijdens het laatste vlekkenminimum) waren nog 2 op 3 groepen van deze types, verleden jaar was slechts 1 op 4 groepen niet in staat een penumbra te ontwikkelen. De 23ste cyclus vertoont dus wel een activiteitstoename, het is alleen het aantal en vooral de kwaliteit van de groepen die het laten afweten. De actieve gebieden in 1999 waren grosso-modo complementair aan deze van 1998, d.w.z. ze waren grotendeels gelegen in gebieden die in 1998 niet al te actief waren. Concreet bevonden deze zich vooral tussen 280 en 350 graden (Noord), tussen 230 en 260 evenals tussen 160 en 190 graden (Zuid). Er waren 3 gebieden met meer dan 20 activiteitshaarden. Het gebied op de noordelijke hemisfeer tussen 10 en 20 graden breedte, en tussen 300 en 310 graden lengte telde er 28 (11 groepen). Er waren 4 groepen op breedten hoger dan 40 graden (3 Noord), waarvan NOAA 8635 het verst van de equator verscheen op +43 graden. Met het maximum dat verwacht wordt dit jaar, zou de activiteit dus nog wat moeten aandikken t.o.v. 1999, waarbij de activiteit zich langzaam equatorwaarts zou verplaatsen. Een activiteit zoals in de voorgaande 2 cyclus-maxima lijkt echter wel zeer onwaarschijnlijk.





Synoptische map 1998

Als aanvulling op de synoptische mappen van 1996 & 1997 zoals die verschenen in de Nieuwsbrief van Juni 1998, volgt hier de synoptische map voor 1998. Synoptische mappen geven een idee over de activiteitsspreiding over het zonne-oppervlak. Daarvoor wordt de positie en het Waldmeiertype van elke groep gebruikt. Aan elke groep wordt dan een gewicht toegekend: A-en B groepen krijgen het gewicht 1, C 2, D 3, E 4, F 6, G 5, H 3 en J 2. Deze gegevens worden ingepast in een gebied van 10 op 10 graden en gesommeerd. Het resultaat wordt dan een synoptische map genoemd, en ze kan zowel per Carrington rotatie (27.2753 dagen) als per jaar (13-14 Carrington rotaties) worden weergegeven. Noteer dat de correcte naam eigenlijk "Synoptische map van de Zonne-fotosfeer" is, omdat zulke mappen natuurlijk ook gebruikt kunnen worden om de activiteit in H-alpha of van Coronale gaten weer te geven. De hierbijgevoegde map kan vergeleken worden met deze van 1996 en 1997, rekening mee houdend dat de grafische voorstelling iets veranderd is (hopelijk ten goede). De gegevens zijn gebaseerd op de NOAA-data zoals die samengevat werden in de Nieuwsbrief (geen G-groep). Duidelijk is te zien dat in 1998 de activiteit is toegenomen, vooral tussen de breedten 10 en 30 graden. Beide zonne-hemisferen zijn ongeveer even sterk vertegenwoordigd. De activiteit op het zuidelijk halfrond deed zich vooral voor tussen 20 en 30 graden breedte tijdens de eerste 2 kwartalen van 1998, terwijl het noordelijk halfrond het meest dominant was tijdens de laatste maanden van het jaar, in de meer equatoriale gebieden (tussen 10 en 20 graden). Deze evolutie heeft zich verder blijven doorzetten in 1999. In 1998 waren er 144 gebieden met 658 activiteitshaarden (Noord 76/311, Zuid 67/347), vergeleken met 1997 waren er dat slechts 85 met 233 haarden (Noord 50/140, Zuid 35/93). Er verschenen verleden jaar 292 groepen (144 Noord), waarvan (volgens NOAA en de McIntosh classificatie) 54 van het type E of F (24 Noord). Al bij al waren deze "grote" groepen toch maar van een bescheiden grootte en dito complexiteit. Er verscheen slechts 1 supergroep (NOAA 8323, S22, 272, 1460 MH), en dat is evenveel als in 1997. Opvallend is dat het procentueel aantal A-groepen van 30% in 1996 gedaald is naar nauwelijks 10%, en dit ten voordele van vooral de E, F en J-groepen (in 96 resp. 6, 0 en 3%; in 98 resp. 13, 5 en 11%). In absolute cijfers zijn alle groepen er natuurlijk in min of meerdere mate op vooruitgegaan. Tenslotte, vermits J- en H groepen worden aanzien als de restanten van actieve D, E of F-groepen, kan dit ook weer worden beschouwd als een "bewijs" dat de E en F-groepen niet al te indrukwekkend waren (J-groepen zijn kleiner dan H-groepen). De meest actieve gebieden in 1997 situeerden zich op hogere breedten (tussen 20 en 30 graden), met vooral rond 210, 260 en 300 (Noord), evenals rond 350 (Zuid) een opvallende bedrijvigheid. In 1998 waren deze te vinden tussen 80 en 120, en tussen 180 en 230 graden op het noordelijk halfrond, en vooral tussen 340 en 60 graden op de zuidelijk zonnehemisfeer (1 gebied met 23 activiteitshaarden!). Op deze laatste was de activiteit iets meer uitgesproken op hogere breedten. Gebieden van lage activiteit waren vooral rond de equatoriale gebieden (tussen -10 en 10 graden verschenen er welgeteld 7 groepen), en in een gebied op het zuidelijk halfrond tussen 220 en 270 graden (tussen breedte 10 en 20). Er verschenen slechts 2 groepen op breedtes hoger dan 40 graden (in 1997 nul), nl. een J-groep op +47 en een C-groep op -43 graden. Naarmate de 23ste cyclus vordert, is de verwachting dat de haard-intensiteit tussen 10 en 30 graden breedte zal toenemen: In 1997 waren er nog 86 op 144 gebieden waar er geen vlek verscheen, en slechts 12 gebieden haalden een activiteit van 5 of meer. In 1998 waren er dat resp. slechts 28 en reeds 59!



Samengesteld door Jan Janssens

Copyright 2003 - 2013 Werkgroep Zon, Vereniging voor Sterrenkunde vzw